Al 25 jaar zei ik tegen Harm dat we beslist eens moesten gaan fietsen op Corsica. Het eiland dat ik in 2000 leerde kennen op de fiets en meteen van onderste boven was. Het kwam er nooit van. Tot dit jaar. Om de hitte voor te zijn planden we deze reis in mei, een mooi rondje vanuit Siena waarbij we naast Corsica ook Sardinië zouden aandoen.
Met de Cycletours fietsbus naar Siena, dat kennen we nog van vroeger. Alleen was het vertrekpunt toen Amsterdam en nu Utrecht. Redelijk vroeg in de ochtend op een doordeweekse dag. Hoe kom je daar dan op tijd vanuit Haarlem? Door al vroeg op de fiets te stappen en 1 minuut over 9 op Amsterdam Amstel de trein te pakken naar Utrecht. Daar nog een half uurtje fietsen en dan de bus in.
De eerste twee dagen fietsen we door bekend terrein: Toscane, Volterra, zicht op San Gimignano. Het is meteen weer mooi. In Livorno pakken we de boot naar Bastia op Corsica. Een boot die we nog niet zomaar hebben gevonden, zoveel vertrekhavens hebben ze daar. Maar na heel wat heen en weer fietsen vinden we toch de juiste boot.
Begin van de avond, als de schemer al heeft ingezet, komen we aan in Bastia. Door de steile straatjes van de stad zoeken we onze weg naar de camping. Het laatste stuk langs de zee gaat het snel met de wind in de rug. De eigenaresse van de camping wacht ons op in badjas en schrijft ons in. Snel de tent opzetten. En die blijkt dan teveel bij de campers te staan. Dus moeten we ‘m nog verplaatsen.
In de nacht trekt de wind nog verder aan en draait. Voor ons gunstig, want dat betekent dat we hem een groot deel van de dag mee hebben. We fietsen naar het noorden richting de Cap Corse. Prachtig langs de kust, met zicht op zee, in vele kleuren blauw. De weg is aanvankelijk nog druk met verkeer, maar wordt steeds rustiger. Meteen in Bastia zien we al de aanduidingen van de GT20 fietsroute op de weg en op de bordjes erlangs. De komende 10 dagen wijzen die ons de weg.
Bij het ronden van de Cap Corse zorgen felle windvlagen er zo nu en dan voor dat we zo goed als stil komen te staan. Op de Col de la Serra is het onmogelijk de bocht rond te komen. Harm staat te surfen op de wind, maar ik durf niet van de fiets af te stappen uit angst er niet meer op te komen. Wel hebben we voor het eerst prachtig zicht op de bergen en besneeuwde toppen van Corsica.
De wind houdt een paar dagen aan en maakt het zo af en toe gevaarlijk fietsen. Voor je het weet word je de weg op geblazen. Koken op de camping is ook lastig met zoveel wind. En de fris gewassen kleding waait van het waslijntje. In de nacht worden we wakker van een harde klap en zien we ’s ochtends dat het tafeltje van de buren de camping over is gevlogen.
Na een aantal dagen camping komen we in Feliceto aan waar geen camping is. Wel een hotel in een prachtig oud landhuis. Het huis is nog steeds eigendom van de familie die het liet bouwen en de eigenaar woont ook nu nog in het huis. Verschillende ruimtes zijn nog ingericht in de oorspronkelijke staat. Het voelt als slapen in een museum. Het ontbijt de volgende ochtend is uitbundig Corsicaans, on-Frans. Dat verzacht het lichte regentje bij vertrek.
De daarop volgende dagen blijven we op hoogte fietsen van bergdorpje naar bergdorpje, voordat we afdalen naar Galeria en langs de kust verder fietsen naar Porto. Bij iedere bocht hebben we weer prachtig uitzicht op zee en op de ene na de andere baai. Een smal, bochtig weggetje langs de bergwand leidt ons naar een camping bij Porto.
Vanaf de camping beginnen we aan een klim van 31 km naar de Col de Vergio (1478 m). In Evisa kunnen we nog net wat boodschappen doen voor de lunch voordat we verder klimmen. We komen langs een wintersportgebied en koeien, geiten en varkens liggen en lopen langs de weg. Het wordt steeds kouder. Nog voor de col trekken we warme kleren aan. Maar de handen en tenen blijven gevoelloos. In de afdaling eten we een broodje, klappertandend. Gelukkig is het in Calacuccia weer warm. Daar vinden we een camping met uitzicht op het stuwmeer.
De volgende dag dalen we verder af, stroomafwaarts langs de Golu, door een indrukwekkende kloof. Smal weggetje, steile wanden, ruige rotsen en veel bochten. Zo arriveren we in Corte. Het is er druk, dus wij eten een broodje net voorbij het centrum, op een muurtje in de schaduw. Zodra we de camping hebben gevonden en de tent hebben opgezet wandelen we terug naar Corte om de citadel te bekijken.
Vanaf Corte fietsen we zo’n beetje over de rug van het eiland naar het zuiden. Voor de lunch vinden we een picknicktafel in een speeltuintje in een klein dorp. Op een tafel staat allerlei lekkers uitgestald, maar dat is voor een groep fietsers die net na ons arriveren. Aan de picknicktafel die we voor ogen hebben zit de Franse fietsreiziger op e-bike die we de afgelopen week dagelijks hebben gezien. Soms kwam hij ons voorbij, dan weer haalden wij hem in. Hij vertelt dat hij 40 jaar in Nice heeft gewoond en in die periode vaak naar Corsica ging, ook om te skiën. Nu is hij er dus op de fiets.
In Ghisoni blijkt de camping dicht te zijn, maar vinden we na een tip van een Duitse fietsreiziger de gite d’étappe in het dorp. Er is gelukkig nog plaats in de slaapzaal, want verder zit het er vol. De Fransman komen we daar ook weer tegen. Het is gezellig in de herberg, dus het diner gebruiken we daar. Tijdens het ontbijt vertelt de Duitse fietsreiziger ons dat hij een paar dagen gaat hiken vanaf de Col de Verde (1289 m) waar we die dag overheen gaan.
Met uitzicht op besneeuwde toppen fietsen we het laatste stuk van de bergrug van Corsica. Afdalend uit het gebergte richting Bonifaccio wordt het steeds heter. De camping die we voor ogen hadden blijkt nog gesloten, dus moeten we verder. Net voor Bonifaccio is er één die wel open is. Het stikt er van de mieren. Maar gelukkig niet in onze tent.
In Bonifaccio nemen we de ferry naar Sardinië. Maar niet nadat we Bonifaccio hebben bezocht: een prachtige plaats en citadel bovenop een rots met uitzicht op de jachthaven en de vertrekplaats van de ferry. Als we aan boord gaan maken we kennis met een Britse fietsreiziger uit Nottingham die 3 maanden heeft uitgetrokken voor een toer door Europa.
Buiten Santa Teresa di Gallura vinden we een camping, waarvoor we eerst een heel steil weggetje omhoog moeten en dan voor een dicht hek staan. Maar nadat we het telefoonnummer op het infobord hebben gebeld worden we binnen gelaten. Het is bijna privé kamperen, want behalve onze tent staat er maar één caravan. Verder is er een Duitser druk in de weer om zijn speedboot op een trailer aan de praat te krijgen.
Dat het hier op Sardinië andere temperaturen (en ander klimaat?) zijn blijkt wel als we de volgende dag op pad gaan en een grote schildpad op de weg zien zitten. Er is niet veel begroeiing, dus weinig schaduw. En de zon brandt ongenadig. Veel campings zijn er niet in dit deel van Sardinië, maar in Tempio Pausania vinden we het New Petit Hotel. Na een wandeling naar een kerkje bovenaan een steil wandelpad door een park vinden we een leuk restaurant in de plaats. Aanvankelijk zeggen ze vol te zitten, maar ze vinden toch een plaatsje voor ons.
Het ontbijt hier in Sardinië bestaat vooral uit zoete koek en cake. Tsja, als het echt niet anders is …
De volgende dag is het Eerste Pinksterdag en komen we door Oschiri als net de kerk uitgaat. Iedereen is op straat en zit met de hele familie op de terrassen. Wij eten een broodje achter de kerk op een pleintje.
Om in Pattada te komen, onze volgende rustplaats, is het flink klimmen. De straten liggen als terrassen tegen de bergwand aan. Er rijden ruiters rond op paarden behangen met bellen. Overal om je heen hoor je dus het geluid van de bellen, want de ruiters blijven heen en weer rijden door de straten. ’s Avonds horen we dat de Chiesa de Espiritu Sanctu na lange sluiting weer open was gegaan en dat vanwege die feestelijke gebeurtenis de ruiters op met bellen behangen paarden rondreden. Hotel Liberty in Pattada was geweldig.
De laatste dagen op Sardinië zijn we in de buurt van de kust en is het ineens erg toeristisch, in tegenstelling tot de leuke plaatsen die we de dagen daarvoor in het binnenland hadden aangedaan. Maar in Olbia moeten we de ferry naar Civitavecchia nemen en zeggen we Sardinië weer vaarwel.
Terug op het vasteland van Italië is het even zoeken hoe we Civitavecchia uitkomen en op onze route komen. Maar dan wordt het weer mooi fietsen. De strade bianche dienen zich al snel aan, soms gruwelijk steil. En de thermometer in Viterbo geeft 41 graden aan. We komen op de Via Francigena te rijden, de pelgrimsroute naar Canterbury (vanaf Rome). Op weg naar Montefiascone leidt onze route ons over een weggetje dat in een rechte streep omhoog gaat naar het hoogste punt van de plaats. Het is niet te doen. Terwijl auto’s en busjes ons voorbij en tegemoet rijden en wij de fiets in bedwang proberen te houden. Uiteindelijk komen we aan op een mooie camping aan het Lago di Bolsena.
Na zo’n zware dag kiezen we ervoor een wat grotere weg te volgen om niet weer voor onaangename verrassingen te komen te staan. Zo peddelen we rustig door Bolsena en eten we een pelgrimsmaaltijd in Acquapendente. Tegen de avond komen we aan bij de Ponte di Rigo. Daar is een kapelletje voor de pelgrims met een picknicktafel en grasveldje waar gekampeerd mag worden. We besluiten te blijven, omdat we dreigende luchten zien aankomen, maar het blijft droog.
Ook de volgende ochtend zijn er nog dreigende luchten en klinkt er gerommel, maar ook nu blijft het droog. We gaan op weg naar Radicofani over een strada bianca. Het is bij tijd en wijle gruwelijk steil, maar het is een prachtige route. Radicofani blijkt een mooi, volledig gerenoveerd, plaatsje. Ook daarna is de route zeer mooi en gaat over een bergrug. Overal zijn bloeiende bremstruiken te zien en kun je tientallen kilometers ver kijken.
In San Quercio dOrcia vinden we hotel Palazzuolo. Een mooie plaats met de bezienswaardige Horti Leonini. We zijn precies op tijd terug in het hotel als er harde klappen onweer en regen vallen.
Op onze laatste fietsdag naar Siena rijden we over veel strade bianche. Maar dit keer is het fijn fietsen. En we zijn zeker niet de enigen. We genieten van de prachtige uitzichten van het Toscaanse landschap. Via een oude weg rijden we Siena binnen. De Piazza di Campo en Piazza del Duomo worden nog even bezocht, een laatste Italiaanse maaltijd verorberd en nog wat boodschappen gedaan voor we weer de bus instappen terug naar Nederland.