Zoeken
Over ons
Naast met plezier werken besteden we onze tijd aan fiets-, wandel- en hardloopreizen.
Het was alweer vier jaar geleden dat we door de Alpen fietsten. En toen we dit voorjaar de foto's weer terugzagen, begon het meteen te kriebelen. Dus was de bestemming voor deze zomer snel bepaald. Een tocht door vijf landen zou het worden: van de Drôme in zuidelijk Frankrijk, door noordelijk Italië en een klein stukje Zwitserland, dwars door Tirol in Oostenrijk, totaan München in Zuid-Duitsland.
Frankrijk
De fietsbus vervoert ons van Amsterdam naar Suze la Rousse in Zuid-Frankrijk. Het is er mistig als we daar in de vroege ochtend van 5 juli aankomen. Later hoorden we dat het behoorlijk had geregend de avond ervoor. Maar de mist trok op en we klommen op de fiets met prachtig weer. Meteen al reden we door wijngaarden en heerlijk geurende lavendelvelden.
Ook de tweede dag was het mooi en heet weer. De eerste col werd hevig zwetend gerond. Maar de dagen daarna werd het natter. We kregen wat onweer onderweg, terwijl we de col Accarias beklommen, en op de campings was het nattigheid troef zodat we in het washok moesten koken. Het weerhield ons er niet van om de zware klim naar de Galibier aan te vangen. We begonnen nog met droog weer, maar al redelijk snel begon het wat te spetteren. Voorbij de col du Lautaret werd het ook steeds kouder. Maar we waren nu al zo'n eind op weg dat we niet meer wilden keren, hoewel het misschien wel wat onverantwoord was. De laatste kilometers hadden we soms een ijzige wind tegen en het begon te sneeuwen, de benen werden koud en de handen niet minder. Klappertandend en verkleumd kwamen we aan in de auberge, waar we ons de warme chocolademelk en thee goed lieten smaken. Gelukkig verkochten ze er allerhande fietskleding en konden we daar losse beenstukken aanschaffen, waardoor we een stuk warmer aan de afdaling konden beginnen. Toen we vertrokken waren de fietsen zwaar van de sneeuw die inmiddels op onze tassen was gevallen.
's Avonds kwamen we aan in Modane en besloten we een hotel te nemen om op te warmen en op te drogen. Want de volgende dag zou de col d'Iseran op het programma staan, nog een stukje hoger dan de Galibier. Maar bij het opstaan bleek het al te regenen en de vrouw van het hotel wist ons te vertellen dat het in het dal nog geen 10 graden was. Dat betekende dat het te koud en de kans op sneeuw daarboven te groot zou zijn. En de weersvooruitzichten in de Franse Alpen waren ook al niet hoopgevend. Daarbij liep iedereen er hier bij alsof het winter was. Dus besloten we de route om te leggen en eerder dan gepland Italië op te zoeken.
Italië
En dat bleek een goede keuze. In plaats van de Iseran gingen we over de col du Mont Cenis. En al meteen
zagen we het weer opklaren en in de verte weer blauwe lucht. In de auberge bovenop de col kregen we een lesje streekgeschiedenis van de uitbaatster, terwijl we een heerlijke tarte de Beaufort aten. Waarna we konden afdalen in een warm en zonnig Italië. Ineens was het weer zomer. De eerste dagen in Italië gingen door een breed dal. Aangenaam fietsen, met lekker weer en af en toe een colletje. En zo kwamen we aan bij het merengebied. Eerst het lago di Viverone en het lago d'Orta, waarna we het lago Maggiore bereikten. Dat was wel een andere beleving dan het natte en koude Alpengebied. Ineens was er een mini-mediterrane break in ons programma, met palmen, cigalles, dure auto's, jachten en enorme struiken hortensia's.
Zwitserland
Zo kwamen we aan in Locarno. Wat een andere wereld. En aangezien we weinig zin hadden om Zwitserse
Franken te pinnen besloten we om maar kort in Zwitserland te blijven. Maar onder een overnachting op een camping konden we toch niet uit. Helaas. Want we betaalden daar het schandalige bedrag van 40 euro (voor 2 volwassenen, een piepklein tentje en 2 fietsen), op een camping waar het redelijk hutje-mutje stond. De volgende dag dus snel door richting Lugano en de Italiaanse grens. We dachten daarvoor een doorsteekje te kunnen nemen, maar dat viel tegen. Zwoegend, trekkend, zwetend, duwend, vloekend en zeulend moesten we de fietsen over een oude Romeinse weg met kasseien omhoog zien te krijgen. Gelukkig werd het daarna een stuk makkelijker en reden we een paar uur later Zwitserland weer uit.
Italië
Eerst langs het lago di Lugano en al redelijk snel kwamen we aan bij het lago di Como, waar we in Menaggio een camping vonden. De volgende dag namen we de boot naar de overkant van het meer, naar Varenna. En
daar begon meteen een klim door het dorp omhoog. De col Agueglio was een gemene, zeker omdat het een leuk ommetje was, maar niet noodzakelijk. Maar we wilden nu eenmaal in de bergen fietsen en zo snel mogelijk de Alpen weer opzoeken na onze mini-break aan de meren. Alleen waren in dit deel de campings wat minder dik bezaaid. 's Avonds moesten we dan ook op zoek naar een wildkampeerplaats, nadat we al een hele lange dag hadden gefietst. En wonder boven wonder vonden we een geweldige plek: een ruime picknickplaats met banken langs een beekje, langs een weg die was afgesloten voor verkeer. Dus uit het zicht (op een enkele hardloper en fietser na).
In de dagen daarna namen de cols in aantal weer toe en werd ook de hoogte en het stijgingspercentage steeds meer. Eén van de mooiste was de passo del Vivione: een stil, smal bergweggetje waar twee auto's elkaar nauwelijks konden passeren (en er dus gelukkig ook nauwelijks auto's reden) voerde naar de pas. De dag erna kwamen we over de passo della Foppa (ook wel de Mortirolo genoemd), als voorgerecht voor het klapstuk van de vakantie. Want toen stond de passo dello Stelvio op het programma. Vanuit Bormio vertrokken we met droog en zonnig, maar niet te warm, weer om de pas op 2758 meter te bedwingen. Zevenendertig bochten lagen voor ons. Het eerste deel voerde door een open dal met wijdse uitzichten naar waar we vandaan kwamen en hoge bergwanden naast ons. Totdat we de haarspeldbochten zagen waar we omhoog moesten. Veertien in totaal, terwijl er bovenaan nog eens veertien zouden resteren. Daar kwamen we in een breed, groen dal te fietsen. Nog steeds klimmend, maar wel even wat gemakkelijker. We zaten
inmiddels zo hoog, dat de hoogspanningsmasten beneden ons door het dal liepen. En toen kregen we ook de pas in het vizier. Tussen besneeuwde toppen zagen we de hotels liggen die de pas omringen. Na vier uur klimmen boven gekomen was het een drukte van jewelste, vooral van motorrijders, die waarschijnlijk vooral een vermoeide pols hadden van het gas geven. Wij aten in de auberge een goulashsoep, terwijl het buiten behoorlijk begon te regenen. Afdalend in de regen kwamen we in Zuid-Tirol, maar dus nog steeds Italië terecht. Het doet Oostenrijks aan - en was het ook lange tijd - maar is het nog niet of niet meer. In het dal merken we dat we op de fietssnelweg naar Rome zitten; om de haverklap komen we fietsreizigers tegen. Zoveel hebben we er in weken niet gezien. Wij rijden nog door tot over de Reschenpass, die op de grens ligt en waar Oostenrijk voor ons begint.
Oostenrijk
Vanaf de Reschenpass was het heerlijk afdalen en we fietsen totaan Pfunds voor een camping. De volgende dag gaat het in de regen rustig aan over een fietsroute richting Imst. De ons welbekende camping Imst-West wil ons weer ontvangen. We zijn er al vroeg na de middag, dus wandelen eerst het dorp in om daar wat op te
drogen. Dat lukt in stadtcafé Krone. De hele dag blijft het behoorlijk regenen, maar gelukkig is het de volgende dag iets beter. Want het was onze bedoeling om weer eens een wandeling naar de Muttekopfhütte (1900 m) te maken. Via de Hachleschlucht dit keer lopen we omhoog om via de Lätschenhütte bij de Muttekopfhütte uit te komen. Daar laten we ons de leberknödelsuppe en de bauerntoast goed smaken, voordat we voor de tweede maal proberen om via de Imster Höhenweg naar de camping terug te lopen. Maar het begint weer te regenen en naarmate we hoger klimmen wordt het steeds riskanter. We komen waarschijnlijk tot net onder de Rotkopf, maar besluiten dan toch om om te keren. Terug bij de Muttekopfhütte nemen we meteen de Drischlsteig naar de stoeltjeslift. Een pad met veel trappen en stalen kettingen langs de wanden om je vast te houden. Aan het einde zien we een bord dat het verboden is tijdens regen. Maar goed dat we dat niet vantevoren hadden gezien. De stoeltjeslift blijkt inmiddels niet meer te draaien, dus we lopen helemaal terug naar het dal, over de bergweide. In totaal waren we bijna tien uur onderweg.
De volgende dag schijnt de zon weer en fietsen we verder richting Seefeld. Het Kühtaital blijkt afgesloten, dus we volgen een omleidingsroute die ons over een enorm steile col brengt die Sattele heet. De afdaling blijkt maar heel kort, gelukkig, want in het Kühtaital aangekomen moeten we verder klimmen. Kühtai zelf ligt op
2020 meter hoogte en vormt de col van het gelijkgenaamde dal. Daarvandaan is het makkelijk afdalen, maar naar Seefeld moet er nóg een keer geklommen worden. Langs een loeidrukke weg gaat het 16% omhoog, dus in de allerkleinste versnelling kruipen we vooruit, zo dicht mogelijk langs de witte streep. Maar dat valt niet altijd mee als de snelheid zo laag is. Hoewel we in Seefeld aanvankelijk geen informatie zien van een camping, blijkt die er gelukkig toch wel te zijn. Camp Alpin heeft wel vijf sterren en een gratis sauna (ook al hebben we daar uiteindelijk geen gebruik van gemaakt). De volgende dag nemen we weer een 'rustdag' om een wandeling in de bergen te maken. De spierpijn van de wandeling in Imst is nog niet verdwenen, dus het wordt een rustig wandeltempo. Eerst naar de Reithjochalm op zo'n 1500 meter, om vervolgens via een omweg langs een mooi pad bij de Rosshütte (1700 m) uit te komen. Niet echt een berghut meer te noemen, maar eerder een AC-zelfbedieningsrestaurant op grote hoogte.
Duitsland
Als we Seefeld verlaten is het nog een kilometer of tien naar de grens met Duitsland. Het gaat lekker naar beneden en we komen al snel in een breed dal. Vervolgens vinden we een fietsroute langs de Isar, de Isar-radweg, die we blijven volgen. Vaak door bos en natuurgebieden, dan weer echt langs het water, soms door groene weiden en langs boerderijen.
In Bad Tölz, een mooi, oud plaatsje, gaan we naar het VVV om te vragen of er ook een camping in de buurt is. Zo'n 12 km verderop is er één in Einöd. Dus daar koersen we op aan. Het blijkt een camping bij een gasthof te zijn en de plek die we krijgen aangewezen heeft meer weg van een wildkampeerplek langs de Isar dan een plek op een camping. Maar er is 's avonds wel een warme douche.
Op alweer de laatste dag van de vakantie peddelen we rustig naar München, waar we nog wat tijd door te brengen hebben voordat de trein in de avond vertrekt. Al lezend, Radler drinkend en hähnchen en rollbraten etend komen we die tijd wel door.
De cols: